|  | |
|
Wet van 29 oktober 1846 op de inrichting van het Rekenhof
Artikel. 1. Het Rekenhof bestaat uit twee kamers.
Elke kamer bestaat uit een voorzitter, vier raadsheren en een griffier.
Zij worden om de zes jaar benoemd door de Kamer van Volksvertegenwoordigers, die hen ten alle tijde kan ontslaan.
Zij worden op pensioen gesteld wanneer zij de volle leeftijd van zeventig jaar hebben bereikt of wegens een ziekte of gebrekkigheid van ernstige en blijvende aard hun ambt niet meer naar behoren kunnen vervullen.
De oudstbenoemde voorzitter voert de titel van eerste voorzitter, de oudstbenoemde griffier die van hoofdgriffier
De voorzitters en de raadsheren moeten ten minste dertig jaar oud zijn.
De griffiers moeten ten minste vijfentwintig jaar oud zijn; zij zijn niet stemgerechtigd.
Om tot lid van het Rekenhof te worden benoemd, moet de kandidaat houder zijn van een van de titels van hoger onderwijs die in aanmerking worden genomen voor toegang tot niveau 1 bij de Rijksbesturen
Art. 1bis. Het pensioen van de leden van het Rekenhof wordt berekend op basis van de gemiddelde wedde der laatste vijf jaren, vastgesteld overeenkomstig het vierde lid van dit artikel en op de voet van een dertigste per jaar dienst als lid van het Rekenhof, voor zover zij hun ambt in de voormelde hoedanigheid gedurende ten minste twaalf jaar hebben uitgeoefend. Een lid dat de volle leeftijd van achtenzestig jaar bereikt heeft en wiens mandaat niet hernieuwd is, kan de Kamer van Volksvertegenwoordigers om het genot van voormeld dertigste verzoeken.
De diensten van een lid van het Rekenhof die niet onder de regeling van het voorgaande lid vallen en in aanmerking komen bij de berekening van een pensioen ten laste van de Staat, worden aangerekend volgens de wetten tot bepaling van de pensioenen in verband met die diensten.
Leden van het Rekenhof van wie bevonden is dat zij wegens ziekte of gebrekkigheid niet meer in staat zijn hun ambt te vervullen, maar die de in artikel 1 bepaalde leeftijd niet bereikt hebben, kunnen op pensioen worden gesteld, ongeacht hun leeftijd.
Indien hun ambt echter een bijbetrekking is, kan het pensioen wegens ongeschiktheid niet worden toegekend dan na tien jaar dienst van enigerlei aard die bij de berekening van het rustpensioen in aanmerking komt of na vijf jaar dienst als lid van het Rekenhof. Het pensioen wordt berekend op basis van de gemiddelde wedde der laatste vijf jaren, vastgesteld overeenkomstig de regeling inzake rustpensioenen ten laste van de Staat. De Koning bepaalt wat een bijbetrekking is in de zin van deze wet.
Het pensioen van de leden van het Rekenhof mag niet hoger zijn dan negen tiende van de gemiddelde wedde der laatste vijf jaren.
algemene wet op de burgerlijke pensioenen blijft van toepassing in de gevallen waarin de bepalingen van dit artikel niet kunnen worden ingeroepen.
Art. 2. Tussen de leden van het Rekenhof mag geen bloed of aanverwantschap bestaan tot de vierde graad inbegrepen. Ten tijde van hun eerste benoeming mag geen bloed of aanverwantschap in een van de bedoelde graden bestaan tussen hen en een minister, hoofd van algemeen bestuur.
Zij mogen geen lid zijn van een der wetgevende Kamers, geen bediening vervullen waaraan een wedde of vergoeding ten laste van de Staatskas verbonden is, rechtstreeks noch zijdelings belang hebben bij of in dienst zijn van enige onderneming of zaak die rekenplichtig is tegenover de Staat.
Zij mogen niet mede beraadslagen of beslissen over zaken die hem persoonlijk aangaan of waarbij een van hun bloed of aanverwanten tot de vierde graad belang heeft.
Art. 3. De leden van het Rekenhof die, hetzij persoonlijk, hetzij onder de naam van hun echtgenote of door enig ander tussenpersoon, enigerlei handel drijven, als zaakwaarnemer optreden of aan de leiding of het bestuur van een vennootschap of nijverheidsonderneming deelnemen, worden geacht ontslag te nemen.
Art. 4. De meerderheid van de leden van het Hof moet aanwezig zijn bij het vaststellen of het afsluiten van rekeningen.
Art. 5. Het Hof is belast met het nazien en het verevenen van de rekeningen van het algemeen bestuur en van allen die rekenplichtig zijn tegenover de Staatskas.
Het waakt ervoor dat geen enkel artikel van de uitgave der begroting wordt overschreden en dat geen overschrijving plaats heeft.
De verrichtingen met betrekking tot de vaststellingen en de invordering van de rechten verschuldigd aan de Staat en de provincies, met inbegrip van de fiscale ontvangsten, zijn onderworpen aan de algemene controle van het Rekenhof. De wijze waarop deze controle wordt uitgeoefend wordt bepaald in een protocol tussen de Minister van Financiën en het Rekenhof.
Het stelt de rekeningen van de verschillende besturen van de Staat vast en verzamelt te dien einde alle inlichtingen en bewijsstukken.
Het Rekenhof controleert a posteriori de goede besteding van de rijksgelden; het vergewist zich ervan dat de beginselen van zuinigheid, doeltreffendheid en doelmatigheid in acht worden genomen.
De Kamer van Volksvertegenwoordigers kan het Rekenhof gelasten onderzoeken van het beheer uit te voeren bij de diensten en instellingen die aan zijn controle zijn onderworpen.
Art. 5bis. Het Rekenhof is gemachtigd om zich alle documenten en inlichtingen, van welke aard ook, met betrekking tot het beheer van de diensten en instellingen die aan zijn controle onderworpen zijn, te doen verstrekken.
Het Rekenhof kan een controle ter plaatse organiseren.
De bevoegde overheid is verplicht binnen een termijn van ten hoogste één maand te antwoorden op de opmerkingen van het Rekenhof. Die termijn kan door het Rekenhof worden verlengd.
Art. 6. Het Hof stelt zich rechtstreeks in verbinding met de verschillende algemene besturen; het stelt zich ook rechtstreeks in verbinding met de bestendige deputaties van de provincieraden betreffende de comptabiliteit van de provincies.
Art. 7. De rekeningen van de rekenplichtigen van de Staat en de provincies worden jaarlijks alsook in de gevallen van een tekort en het beëindigen van het ambt van de rekenplichtigen aan het Rekenhof toegezonden.
Indien een rekenplichtige geen rekening aflegt binnen de termijn die gesteld is door het bestuur waaronder hij ressorteert, of indien hij overleden is zonder rekening te hebben afgelegd, wordt die rekening van ambtswege door het bestuur opgesteld.
Art. 8. Het Rekenhof sluit de rekeningen af van de rekenplichtigen van de Staat en de provincies. Die opdracht wordt in elke kamer vervuld door één raadsheer, naargelang van het geval door de eerste voorzitter of door de voorzitter aangewezen. Het Rekenhof stelt vast of de rekeningen van de rekenplichtigen effen zijn, een tegoed vertonen of met een tekort sluiten.
In de eerste twee gevallen verleent het Rekenhof hen kwijting en beveelt het de teruggave van de zekerheden en, in voorkomend geval, de opheffing van het verzet en doorhaling van de hypothecaire inschrijvingen die uit hoofde van hun beheer hun goederen bezwaren.
In alle gevallen zendt het Rekenhof de afgesloten rekeningen onverwijld naar het ministerieel departement of naar de bestendige deputatie van de provincieraad.
Indien de afgesloten rekening een tekort vertoont, is het de minister of de bestendige deputatie van de provincieraad, die beslist of de rekenplichtige voor het Rekenhof moet worden gedagvaard met het oog op de terugbetaling van het tekort.
De in het vorige lid beoogde administratieve overheid kan enkel afzien van de dagvaarding van de rekenplichtige die een tekort vertoont, indien zij van oordeel is dat hij zich kan beroepen op overmacht of indien het tekort niet hoger ligt dan een door de Koning vastgesteld bedrag.
Indien die overheid afziet van de dagvaarding van de rekenplichtige met een tekort, brengt ze het Rekenhof daarvan op de hoogte middels een met redenen omkleed schrijven, dat vergezeld gaat van alle bewijsstukken. Het Rekenhof deelt in zijn jaarlijkse opmerkingen aan de Kamers de gevallen mede waarin de administratieve overheid haar recht om de terugbetaling van het tekort te vervolgen, niet heeft uitgeoefend.
De gedagvaarde rekenplichtige heeft het recht om de juistheid te betwisten van de afgesloten rekening waaruit een tekort blijkt.
Het Rekenhof spreekt de kwijting uit indien het besluit dat er geen tekort is of indien de rekenplichtige zich kan beroepen op overmacht. In het andere geval veroordeelt het hem tot het aanzuiveren van zijn tekort. Het kan hem echter, met inachtneming van de omstandigheden eigen aan het geval en meer bepaald van de mate waarin de rekenplichtige in zijn verplichtingen is tekortgeschoten, ook veroordelen tot het slechts terugbetalen van een gedeelte van het tekort.
De rekenplichtige zal vijf jaar na het neerleggen van zijn ambt definitieve kwijting bekomen indien binnen die termijn geen arrest tot veroordeling werd gewezen.
Art. 9. Het Rekenhof bepaalt welke geldsommen ten laste van de door de minister gemachtigde ordonnateurs moeten worden ingevorderd wegens onwettig bevonden vastlegging van kredieten of wegens schade geleden door de Schatkist.
De gemachtigde ordonnateur wordt daartoe voor het Rekenhof gedagvaard door de Staat die daarbij optreedt via de minister die de machtiging heeft verleend.
Het Rekenhof deelt in zijn jaarlijkse opmerkingen aan de Kamers de veroordelingen mee die het heeft uitgesproken ten laste van de gemachtigde ordonnateurs.
Art. 10. De rekenplichtige en de ordonnateur worden gedagvaard bij gerechtsdeurwaardersexploot. De verschijningstermijn bedraagt vijftien dagen. Indien de rekenplichtige of de ordonnateur geen woon of verblijfplaats of een gekozen woonplaats heeft in België, wordt de termijn verlengd overeenkomstig artikel 55 van het Gerechtelijk Wetboek.
Het exploot bevat de vermeldingen die worden beoogd in de artikelen 43 en 702 van het Gerechtelijk Wetboek, en het wordt betekend overeenkomstig de artikelen 32 tot 47 van dat wetboek.
Met toepassing van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, vindt de dagvaarding plaats voor de Nederlandse of de Franse kamer naargelang van de taal die de dienst waaronder de rekenplichtige of de ordonnateur ressorteert, gebruikt in de binnendiensten. Indien de gedaagde deel uitmaakt van een dienst die meer dan één taal moet gebruiken in zijn interne diensten, gebeurt de dagvaarding naargelang van het taalstelsel van de rekenplichtige of de ordonnateur.
Indien de rekenplichtige of de ordonnateur deel uitmaakt van een dienst van de Duitstalige Gemeenschap of van een instelling van openbaar nut die daar van afhangt, gebeurt de dagvaarding voor de Nederlandse of de Franse kamer. De rekenplichtige en de ordonnateur hebben het recht zich op kosten van de Schatkist te laten bijstaan door een tolk. Ze kunnen er evenwel om verzoeken door de andere kamer te worden geoordeeld. Die exceptie moet worden opgeworpen voor elke verdediging ten gronde en voor iedere andere exceptie.
Het bestuur dat dagvaardt, legt het dossier neer ter griffie van het Rekenhof, waar de partijen en hun advocaten er inzage van kunnen krijgen vanaf de dag van de dagvaarding tot op de vooravond van de terechtzitting.
Art. 11. De meerderheid van de leden van de kamer, de griffier niet medegerekend, moet aanwezig zijn om een zaak te kunnen behandelen en berechten. Enkel de leden die aanwezig waren bij het gehele onderzoek kunnen deelnemen aan de berechting van de zaak. Wanneer de procedure ten laste van een rekenplichtige wordt ingesteld, kan het lid van het Rekenhof, dat de rekening van die rekenplichtige heeft afgesloten, niet aan de zitting deelnemen.
De dagvaardende partij verschijnt bij advocaat of middels een ambtenaar die daartoe door haar speciaal is aangesteld.
De rekenplichtige en de ordonnateur verschijnen persoonlijk. Ze kunnen zich laten bijstaan door een advocaat. Het Rekenhof kan toestaan dat de gedagvaarde partij zich laat vertegenwoordigen door een advocaat, wanneer zij aantoont dat het haar onmogelijk is persoonlijk te verschijnen.
De partijen kunnen een memorie indienen.
De pleidooien hebben plaats in openbare terechtzitting. Het Rekenhof kan echter bij een met redenen omkleed arrest beslissen dat ze achter gesloten deuren zullen plaatsvinden als de openbaarheid gevaar oplevert voor de orde of de goede zeden of om enig andere reden die bepaald is in artikel 6, § 1, van het verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 4 november 1950, bekrachtigd door de wet van 13 mei 1955.
Met het oog op de oplossing van het aanhangig gemaakte geschil, kan het Rekenhof een deskundigenonderzoek doen uitvoeren bij toepassing van de artikelen 962 tot 988 en 990 van het Gerechtelijk Wetboek.
Is er aanleiding tot een onderzoek, dan beveelt het Rekenhof de instelling ervan, hetzij op zijn terechtzitting, hetzij door het lid van het Rekenhof dat het daarmee heeft belast. Het Rekenhof kan bevelen dat getuigen onder ede worden gehoord. In dat geval leggen ze de volgende eed af :
"Ik zweer in eer en geweten dat ik de gehele waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen".
of :
"Je jure en honneur et conscience de dire toute la vérité, rien que la vérité".
of :
"Ich schwöre auf Ehre und Gewissen, die ganze Wahrheit und nur die Wahrheit zu sagen".
De getuigen worden bij een ter post aangetekende brief gedagvaard. Ieder die krachtens dit artikel wordt gedagvaard om als getuige te worden gehoord, is gehouden te verschijnen en aan de dagvaarding gevolg te geven. Hij die weigert te verschijnen, de eed af te leggen of te getuigen wordt gestraft met een geldboete van zesentwintig tot honderd frank.
Van het nietverschijnen of van de weigering om onder ede te getuigen wordt procesverbaal opgemaakt; dit wordt gezonden aan de procureur des Konings van het arrondissement waarin de getuige moest worden gehoord.
De bepalingen van het Strafwetboek betreffende de valse getuigenis in burgerlijke zaken en betreffende de verleiding van getuigen zijn van toepassing op de in dit artikel bepaalde onderzoeksprocedure.
Het lid van het Hof dat buiten de terechtzitting een onderzoeksmaatregel heeft verricht, kan nadien niet deelnemen aan de uitspraak van de zaak.
Art. 12. Indien de gedaagde partij niet verschijnt, wordt de zaak bij verstek berecht. De bij verstek veroordeelde partij kan tegen het arrest verzet aantekenen. De termijn voor het verzet bedraagt één maand te rekenen vanaf de betekening van het arrest. Indien de gedagvaarde die niet verschijnt, in België geen woon of verblijfplaats of gekozen woonplaats heeft, wordt de termijn van het verzet verlengd overeenkomstig artikel 55 van het Gerechtelijk Wetboek.
Het verzet wordt betekend via een gerechtsdeurwaardersexploot dat de middelen van de verweerder aangeeft en de dagvaarding bevat om voor het Rekenhof te verschijnen.
De verzetdoende partij die zich een tweede keer bij verstek laat berechten, kan niet opnieuw verzet aantekenen.
Art. 13. Indien de rekenplichtige of de ordonnateur overleden is voor de dagvaarding of voor de berechting van de zaak, wordt de procedure ingesteld of verdergezet tegen zijn rechthebbenden. In de gevallen waarin artikel 815 van het Gerechtelijk Wetboek voorziet, zijn de artikelen 815 tot 819 van dat Wetboek van toepassing.
Art. 13bis. De arresten van het Rekenhof worden met redenen omkleed. Ze worden uitgesproken in openbare terechtzitting. Ze zijn uitvoerbaar. Ze verwijzen de in het ongelijk gestelde partij in de kosten. In de onderzoeksarresten wordt de beslissing inzake kosten aangehouden. Deze laatste worden berekend zoals voor de burgerlijke rechtbank. De artikelen 1018 tot 1022 en 1024 van het Gerechtelijk Wetboek zijn toepasselijk.
De arresten van het Rekenhof kunnen door elke partij voor het Hof van Cassatie worden gebracht wegens overtreding van de wet of wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen. De artikelen 1073 tot 1116 van het Gerechtelijk Wetboek zijn, met uitzondering van artikel 1110, van toepassing op de voorziening en de procedure die voor het Hof van Cassatie worden gevolgd.
Indien het Hof van Cassatie een arrest van het Rekenhof verbreekt, wordt de zaak verwezen naar een Commissie ad hoc, samengesteld uit leden van de Kamer van Volksvertegenwoordigers, die uitspraak doet met inachtneming van de vormen bepaald voor het Rekenhof, zonder dat enig verder rechtsmiddel kan worden ingesteld.
Art. 13ter. Het Rekenhof kan, niettegenstaande een afgesloten rekening of een arrest waarbij een rekenplichtige definitief werd veroordeeld, binnen een termijn van vijf jaar, te rekenen van de dagtekening van de afgesloten rekening of van het arrest, tot herziening van de rekening of het arrest overgaan, hetzij op aanvraag van de rekenplichtige, gestaafd door bewijsstukken die sinds de datum van de afsluiting van de rekening of van het arrest in zijn bezit zijn gekomen, hetzij op aanvraag van het bestuur waaronder de rekenplichtige ressorteert of ressorteerde, wegens vergissing, verzuim of dubbele boeking, vastgesteld bij het nazien van andere rekeningen.
Zelfs na de hierboven bepaalde termijn is er grond tot herziening van elke rekening vastgesteld op overlegging van stukken die vals worden bevonden.
Indien de herziening van de afgesloten rekening een tekort aan het licht brengt, kan het bestuur waaronder de rekenplichtige ressorteert of ressorteerde, hem voor het Rekenhof dagvaarden overeenkomstig artikel 8.
Art. 14. Geen betalingsopdracht wordt door de Staatskas uitgevoerd dan voorzien van het visum van het Rekenhof.
Wanneer het Hof oordeelt zijn visum te moeten weigeren worden de redenen van de weigering in de ministerraad onderzocht.
Indien de ministers beslissen dat onder hun verantwoordelijkheid tot betaling moet worden overgegaan, verstrekt het Hof zijn visum onder voorbehoud.
Het Hof deelt dadelijk aan de Kamers de redenen van zijn weigering mee. Het brengt eveneens elke overtreding van de begrotingswetten, alsmede van de artikelen 3 en 4 van de wet van 20 juli 1921 tot instelling van de boekhouding der betaalbaar gestelde kredieten, zonder verwijl ter kennis van de Kamers.
Art. 15. De stukken tot staving van de schuldvordering mogen na het visum worden ingebracht :
1° wanneer wegens de aard van de dienst kredieten moeten worden geopend voor een te verrichten uitgave;
2° wanneer voor de exploitatie in eigen beheer van een administratieve dienst voorschotten moeten worden gedaan aan de rekenplichtige van die dienst.
Die voorschotten mogen niet meer bedragen dan 5.000 euro en van hun gebruik moet binnen vier maanden verantwoording worden gedaan.
Geen nieuw voorschot mag binnen die grens van 5.000 euro verleend worden voor een in eigen beheer geëxploiteerde dienst, tenzij alle stukken tot staving van het vorige voorschot overgelegd zijn aan het Rekenhof, of tenzij het nog te verantwoorden gedeelte van het betrokken voorschot sinds minder dan vier maanden verleend is.
Elke andere uitzondering moet bepaald worden door de wet die de uitgave toestaat.
Art. 16. Een duplicaat van het Grootboek der Staatsschuld berust bij het Rekenhof.
Het Hof draagt zorg dat de overschrijvingen en de terugbetalingen, alsook de nieuwe leningen, daarin nauwkeurig worden ingeschreven; het draagt eveneens zorg dat elke rekenplichtige de zekerheid stelt tot waarborg van zijn beheer. Daartoe ontvangt het van de verschillende algemene besturen een staat van de zekerheidsstellingen van allen die, uit welken hoofde ook, rekenplichtig zijn.
Obligaties van leningen of van conversieleningen en bewijzen van zekerheidsstelling zijn slechts geldig indien zij voorzien zijn van het visum van het Rekenhof.
Het Hof houdt een boek van de terugbetaalbare leningen, die, krachtens de wetten, op de begrotingsposten verstrekt zijn aan handels, nijverheids en landbouwondernemingen of aan andere geldopnemers. Het draagt zorg dat die leningen nauwkeurig geboekt worden in de rekeningen van de rekenplichtigen en in de algemene rijksrekening.
Art. 17. Het Rekenhof doet uitspraak over de wettigheid en het bedrag der pensioenen ten laste van de Staat, na inzage van de bewijsstukken en van de afschriften der toekenningsbesluiten, voorgelegd door de departementen die de pensioenen verevenen, het Hof viseert te hunnen behoeve een door hem opgemaakte fiche of een afschrift van het toekenningsbesluit.
In voorkomend geval worden de bepalingen van artikel 14, tweede, derde en vierde lid, toegepast.
Het Hof houdt het duplicaat van het register der pensioenen ten laste van de Staat.
Art. 18. Het Rekenhof benoemt en ontslaat de leden van zijn personeel.
Art. 19.[
] [Artikel afgeschaft]
Art. 20. In het reglement van orde van het Rekenhof kunnen geen wijzigingen worden aangebracht, dan met goedkeuring van de Kamer van Volksvertegenwoordigers.
Art. 20bis. De gedetailleerde begrotingsvoorstellen en rekeningen van het Rekenhof waarvoor een schema wordt gehanteerd dat vergelijkbaar is met het schema van de begroting en rekeningen van de Kamer van volksvertegenwoordigers, worden ingediend bij en goedgekeurd door de Kamer van volksvertegenwoordigers die ook de uitvoering van de begroting controleert. Het totaal van de kredieten op deze begroting wordt als dotatie ingeschreven in de algemene uitgavenbegroting van het Rijk.
Art. 21. De wet van 30 december 1830 en de wet van 14 juni 1845 worden opgeheven.
Andere referentieteksten
| Laatste wijziging van deze pagina : woensdag 23 januari 2008
 |
|
|  |
|